Op de Fiets het Land in

Met het bezoek aan de Tuschinski begon de levenslange relatie tussen Tonie en Piet. Voor ze uiteindelijk trouwde hebben ze twaalf jaar verkering gehad. In die tijd maakte ze veel leuke uitstapjes en spaarde ze een lekker centje voor hun uitzet bij elkaar. 

Piet op het strand

De paden op …

Zomers maakte ze lange fietstochten. Ze bezochten dan kustplaatsen zoals Zandvoord of Bloemendaal.  Ook fietste ze naar plaatsen zoals Broek in Waterland, Loenen of Wageningen.

Op een van deze uitstapjes ging Piets jongste broer, de tienjarige Beppie mee. Het jochie had zelf geen fiets, hij had de fiets van de buurman geleend. Omdat deze fiets veel te groot was kon hij alleen maar staande fietsen. 

Beppie had niet alleen geen eigen fiets, hij had ook geen eigen schoenen. Hij droeg een paar afgedankte damesschoenen met blokhakken van een van zijn zusters. 

Het viel Piet op dat Tonie zich ongemakkelijk voelde.

„Wat is d’r To?” vroeg hij.

„Oh, niks,” antwoordde ze.

 „Jawel, ik zie het aan je gezicht, er zit je iets niet lekker.”

Tonie tuitte haar lippen en gaf geen antwoord.

Als ze even later een sanitaire stop maken en Beppie in de richting van de bosjes wegloop wijst Tonie van achteren op Beppie’s kokette schoeisel en sist tegen Piet, „dat kan toch niet, dat is toch niet fatsoenlijk, damesschoenen, ik schaam me dood.”

„Ja, het is moeilijk, maar het is niet anders,” zei Piet. „Ik denk dat Beppie er zelf ook niet echt blij mee is. Maar wat moet zo’n jongen anders … thuisblijven? Hij vervolgde belerend. „Dit zijn nou typisch zaken waarvoor een weldenkend mens zich niet hoeft te schamen. De maatschappij zou rechtvaardiger zijn als de mensch …”

Tonie die geen zin had in een preek onderbrak Piets pleidooi en zei „Piet, je heb helemaal gelijk hoor. Misschien moeten we die jongen eerdaags een paar fatsoenlijke schoenen geven.”

Op de Wageningse berg 

Piet wou een keer naar de Wageningse berg fietsen. Het zou de komende zondag mooi weer worden. Tonie zei tegen Piet dat ze het leuk zou vinden om haar zusje, de veertienjarige Coenie mee te nemen. Ze zou dan, samen met Coenie en haar moeder, voor wat boterhammen voor onderweg zorgen.

„Is dat niet veel te ver voor Coenie,” vroeg Piet.
„Volgens Coenie niet,” zei Tonie.
„Ja, maar welk kind van veertien geeft toe dat iets te zwaar is.”

„Ik snap je Piet, maar Coenie is best wel flink hoor.”

„Prima, geen probleem dan,” zei Piet.

Het was niet gewoon warm, maar héét die dag. De zon stond hoog in het hemelgewelf. Ze fietsen op een eindeloos pad langs het kanaal. Ze zagen weinig boerderijen, maar wel weilanden, met honderden grazende koeien. De populieren langs de oever van het kanaal bewogen zich zacht – als pluimen – in de milde bries. 

Ontstemming

Anderhalf uur later zei Piet, „Dames, ik geloof dat de klim is begonnen.”

„Nou, dat valt dan reuze mee,” zei Tonie.
Maar daar vergiste zij zich in. 

Toen ze een kwartiertje later, alle drie in de pedalen staande, vooruit slingerde.

„Piet, ik ben kapot” hijgde Tonie en stapte af. Ze legde haar fiets in het gras langs de weg en ging op een afgezaagde boomstronk zitten.

Tony, Piet en Coenie – ca. 1928

Piet deed of hij nergens last van had, maar was toch blij dat er even gestopt werd.

„Ik ben helemaal kapot” herhaalde Tonie.

Coenie, die nergens last van leek te hebben, stond een stukje verderop bloemen te plukken.

„Ben helemaal kapot,” herhaalde Tonie nogmaals, „Jij ook altijd met je ideeën.”

„Hallo … wat krijgen we nou” zei Piet. „Toon liever eens wat vastberadenheid. Van zo’n klimmetje ga je niet dood hoor”.

„Ja, jij heb makkelijk kletsen,” zei Tonie vinnig.

„Hoezo, makkelijk kletsen, ik loop gewoon niet te zeuren”.

„Je zeurt tegen mij.”

„Ach mens, we zijn gewoon gezellig een stukje aan het fietsen en jij doe het voorkomen of ik je vraag de Mont Blanc te bestijgen op een bakfiets met lekke banden. Toon liever eens wat vastberadenheid.”

Tonie zei niets, maar keek met getuite lippen voor zich uit.

Coenie kwam er aan gerend en schreeuwde, „kijk Tony, wat een mooie bloemen”.

Na een minuut of tien zei Piet, „Dames, laten we ons ijzeren paard wederom bestijgen en de klim met een opgeruimd gemoed voortzetten. Dan gaan we boven, op de top, gezellig ons brood eten.”

Stemming

Na een stevige klim van nog een halfuur stapte ze bij een hoge lindeboom van de fiets. Piet wou bijna zeggen, ‚ik ben helemaal kapot’, maar hij wist het nog net achter de omheining van z’n tanden te houden.

Ze zaten met z’n drieën in de schittering van het zonlicht dat door de trillende bladeren van de linde op hen viel. 

„Ik heb dorst”, zei Coenie.

„Hier,” zei Piet en haalde een gedeukte veldfles uit z’n schoudertas.

„Wat zit er in,” vroeg Coenie.

„De allerfijnste Champagne, Hoogheid,” zei Piet met een voorname stem.

„Nee hoor Coen, gewoon water,” zei Tonie, „maar schiet op, want ik heb ook verschrikkelijke dorst.”

Na het drinken pakte Tonie uit een zak van vetvrij papier voor iedereen een dubbele boterham belegt met gebakken ei.

„Hm lekker, dat lust een arme jongen met één oog wel,” zei Piet. Hij haalde de prop pruimtabak uit z’n mond en legde deze voorzichtig op de veldfles. Tonie trok een vies gezicht, maar zei verder niets.

„Goh, straks weer dat hele eind terug fietsen” pufte Coenie.

„Nou straks, naar beneden de berg af, dat wordt een eitje,” zei Tonie.

„Kijk Coenie,” legde Piet uit, „het is met deze berg net als in het leven van de mensch.” Coenie keek hem aan met een blik van ‚waar heb je het in godsnaam over’.  Piet vervolgde onverstoord, „soms moet men de berg door inspanning beklimmen, en de andere keer kan men zonder inspannen de berg afrijden. De verstandige mensch klaagt niet over de beklimming, en slaat zichzelf tijdens de afdaling niet op de borst.” 

„Hm,” zei Coenie, „Tonie is er nog iets te hachelen.

„Nee, iets te eten is er niet meer,” verbeterde Tony, „maar je kunt nog wel een slokje water krijgen.

Edelman

Piet ging met z’n rug tegen de stam van de linde zitten. Tonie legde haar hoofd op zijn dijbeen en viel vrijwel direct in slaap. Coenie legde haar hoofd op het dijbeen van haar zus en viel ook in slaap.

Na een paar minuten begon Piet pijn in z’n rug de krijgen van de knoestige stam. Hij wilde de meisjes, die zo lekker lagen te slapen, niet wakker maken en verdroeg de onaangename gewaarwording  van de stam geduldig. De zoete geur van de lindebloesem vulde z’n voorhoofd. Hij zag de meisjes, tegelijk met hem, in- en uitademen. 

Een meter of tien voor Piet kwam een bruin konijn zitten dat hem met grote ogen opnam. Achter het konijn, over de groene heuvel, zag hij de wolken als grote dotten slagroom door de blauwe hemel drijven. Hij keek naar de plek waar het konijn had gezeten, maar daar stond nu een jonge edelman in een zuiver wit hemd met een scharlaken das met roomwitte strepen. De man hield het hoofd fier omhoog onder een enorme pet van tweet. Rond de lenden droeg hij een plusfour van hetzelfde kostbare materiaal. 

Zonder zich bewogen te hebben stond de edelman plots vlak voor hem en hield hem een bundel met gedichten van Vondel voor. De nobele verschijning kwam Piet wonderlijk bekend voor … waar kon hij hem van? Piet keek hem tussen de ogen en van uit dat punt groeide het besef dat hij naar zichzelf keek. Hij zag zichzelf daar staan, staan als de persoon die hij altijd wilde zijn.

„Piet … Piet … Piet … wakker worden Piet … we moeten terug,” Piet hoort stemmen, vaag en veraf, door flarden van dromen heen.

Traag ontluikt hij zijn ogen en ziet de twee meisjes als in een poppenspel voor zich zitten.

„Wat,” bromt hij.

„Piet het wordt al laat, en we moeten terug.”

„Wat,” bromt Piet nogmaals.

„Het wordt al laat … we moeten terug.”

Piet wrijft zijn ogen uit en schudde zich los uit de flarden van dromen die hem omgeven.

Afdaling

Onderaan de heuvel hangt de vale zon laag boven de horizon. Het grijze grintpad voor hen, leidt er als een uitgerolde loper heen. Piet ziet de meisjes als vlekken in het tegenlicht van de zon voor zich. 

„Wat een fraai beeld” denkt Piet, „zo te samen het zonlicht tegemoet.”

Voor hem uit schieten de twee meisjes met steeds groter wordende snelheid naar beneden. Hij vangt het uitzinnig vrolijk gekrijs van Coenie op die als een cowboy met een arm door de lucht zwaait. 

Als Tonie ook begint te krijsen verschijnt er in eerste instantie een glimlach op Piets gezicht. Als Piet echter hoort dat Tonie niet van plezier maar van angst krijst versnelt hij. Hij trapt zich de benen uit het lijf tot hij naast haar fiets.

Tonie’s ogen lijken uit hun kassen te springen, haar angstkreten slaan Piet om het hart.

„Tonie … rustig, „schreeuwt Piet.

„Ik wil dit niet,” schreeuwt Tonie.

„Houdt je rustig, „ schreeuwt Piet nogmaals.

„Nee,” schreeuwt Tonie, „ik spring eraf!”

“Je laat het hoor, schreeuwt Piet, „ik waarschuw je, dat word je dood!”

„Joehoe”, schreeuwt Coenie terwijl ze met haar kont op het zadel stuitert, „Tonie … Tonie… een eitje hé … een eitje!”

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Een gedachte over “Op de Fiets het Land in

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s