Het Verhaal van Jan Poept in ’t Karretje

Zoals gezegd hield Piet er van om zijn nageslacht op verhalen te trakteren. Een verhaal dat hij veel aan zijn kinderen en klein kinderen vertelde was het avontuur van ‚Jan poept in ‚t karretje.’

Het verhaal ging als volgt:

Eens lang geleden woonde er een jongen met zijn moeder achter in een klein winkeltje. In het winkeltje verkochten ze rijst, meel, olie, bonen en andere grutjes. Ondanks dit waren ze erg arm.

Boterhammen

Elke ochtend vroeg kreeg Jantje van zijn moeder een bordje met havermout pap. Ook maakte zijn moeder voor hem een pakketje boterhammen voor de middag. Hij kreeg deze in een schoudertas mee.

Jantje moest namelijk elke dag met zijn paardenkar door een groot donker bos. Aan de andere kant van het bos waren een paar winkeltjes waar hij bonen, rijst en andere grutjes naartoe moest brengen.

Ook deze dag haalt Jantje vroeg het kleine paard uit de stal en spant dit voor z’n karretje. Achter in de kar zet hij de zakken met bonen en rijst. Ook legt hij er altijd een oude krant bij, voor als hij onderweg moet poepen.

Jantje klimt op de bok, schudt de teugel en roept, „hop!” tegen het paardje. 

Aandrang

Ze rijden op een weggetje door een graanveld. Voor hem ziet hij het donkere bos opdoemen. Jan denkt, „Als ik straks in het bos ben ga ik eerst eens even achterin het karretje op de krant poepen.”

De weg loopt onder de grote donkere bomen door het bos in. Net als Jantje wil stoppen om te gaan poepen hoort hij het diepe geschal van een veldhoorn:

„thuuuuuuuuu, thuuuuuu …… thuuuuu, thuuu … thuu, thuuu!” 

„Lieve hemel,” daar schrikt Jan van. Er is hem namelijk verteld dat er zich sinds kort in het bos een roversbende ophield. Snel stuurt Jantje het karretje het lage struikgewas naast het bospad in.  Hier bindt hij gehaast het paardje aan een dunne boom vast.

Om zichzelf te verschuilen klimt hij hoog een oude eik in. Jan kijkt naar beneden. Hij ziet dat er een groep rovers op paarden stil houdt. De roverhoofdman schreeuwt met zware stem: „Mannen, ik heb honger, ik wil eten, we stoppen hier onder deze eik. Boris breng mij een mok bier en zeg tegen die Schele dat hij mij een homp brood en een flink stuk bloedworst brengt.”

De mannen laden een schatkist van een grote pakezel af en zetten deze onder de boom. De roverhoofdman gaat erop zitten en trekt een groot scherp mes.

Hij beukt een paar keer met het heft op de schatkist en schreeuwt, „Kom op schele … slak … schiet eens een beetje op, ik stik van de honger!” 

Jan ziet hoe een van de mannen de roverhoofdman een houten schijf met een homp brood een een groot stuk bloedworst brengt. 

„Oef, denkt Jan, „ik moet nu wel héél nodig poepen.” Hij zit als een vogel op een dikke tak en trekt voorzichtig z’n broek over z’n billen weg. Er vallen een paar keutels naar beneden.

Omdat de roverhoofdman aan het schreeuwen is, dat hij meer bier wil, merkt hij niet dat er een keutel naast z’n bloedworst valt.

Pittige mosterd

Hij drinkt de nieuwe mok bier in één teug leeg. Hij kijkt naar de keutel en schreeuwt, „ben ik de enige echte man hier, de enige die mosterd lust?” En smeert een dikke laag van de keutel over z’n brood met bloedworst.” 

Hij neemt een grote hap en zit te kauwen. Met volle mond schreeuwt hij, „hé Schele, dat is lekkere pittige mosterd, bij wie heb je die gestolen?”

Als de roverhoofdman klaar is met eten vertrekken de rovers weer. Jan klimt voorzichtig uit de boom en haalt zijn paardje tussen de struiken vandaan.

Hij zegt tegen het dier, „het is maar goed dat ze jou niet gezien hebben, anders hadden ze paardengoulash van je gemaakt.” 

Het paard begrijpt het en briest.  

Jan zegt, „we gaan die rovers volgen.”

Voorzichtig rijd hij met z’n karretje achter de rovers aan.

De poort

Vanachter een bramenstruik ziet hij de rovers stilhouden bij een steile donkere bergwand. De roverhoofdman stapt van zijn paard. Langzaam loopt hij naar de hoge bergwand en spreid zijn armen. Hij roept bezwerend:

„Sesam, Sesam, Opent U!”

Het wordt plots schemerig en er valt een stilte door het bos. Langzaam schuift de bergwand knarsend open.

Jan staat aan de grond genageld, hij durft zich niet te bewegen.

In een lange rij rijden de rovers achter de hoofdman de berg in en langzaam sluit de bergwand zich weer achter hen.

Het wordt weer licht in het bos en de vogels beginnen weer te zingen.

Plots denkt Jan aan de zakken met grutjes die hij weg moet brengen. Hij mag wel doorrijden, anders is hij niet voor donker thuis en dan wordt zijn moeder ongerust. Hij gaat dus gauw weer aan het werk.

Op de terugweg rijd hij langs de bergwand waarin de rovers verdwenen. Omdat het nog best vroeg is verbergt hij zijn paard en wagen in het struikgewas en loopt voorzichtig naar de hoge bergwand. Hij kijkt omhoog. Hoog boven hem hangt er een scheve boom over de rand. Op een van de takken ziet hij een roofvogel zitten. Jan heeft het idee dat de vogel hem in de gaten houdt.

Hoewel hij bang is denkt hij, „wat zei die roverhoofdman ook al weer om de bergwand te openen, het had iets met eten te maken geloof ik.”

Met angst in z’n stem roept hij, 

„Nootmuskaat, Nootmuskaat, Opent U!” 

Er gebeurt niets…

„Pepernoot, Pepernoot, opent u!” 

Weer gebeurt er niks…

„Sesamzaad, Sesamzaad, opent u!” 

Weer gebeurt er niks…

Nu moest Jan toch eens even goed nadenken, en ja hoor, opeens wist hij het.

Hij roep:

”Sesam, Sesam Opent U!”  

De vogels in het bos stoppen met zingen en er schuift een grote donkere wolk voor de zon.

Langzaam schuift de bergwand knarsend open.

Tot zijn verbazing ligt er een deurmat bij de ingang van de tunnel. Omdat Jan een nette jongen is veegt hij zijn voeten en loopt voorzichtig de donkere tunnel in. 

Opgesloten

Jan schrikt want achter hem sluit de bergwand zich. Jan staat in het pikkedonker en ziet helemaal niets. Op de tast loopt hij voorzichtig verder. Na een paar meter ziet hij een glimwormpje op de wand en hoe verder hij loopt hoe meer glimwormpjes er verschijnen. In het gouden licht dat ze uitstralen ziet Jan de gang weer een beetje. Aan het einde van de tunnel zijn er twee deuren. Op de een staat WC en op de andere Schatkamer. Jan denkt, „Ik heb al gepoept, dus laat ik de schatkamer maar ingaan”. 

Voorzichtig opent hij de deur van de schatkamer en kijkt naar binnen. Zijn ogen worden verblind door de schittering van duizenden edelstelen. Overal staan open kisten vol met goudstukken, glanzende parels, schitterende edelstenen en flonkerende juwelen. Uit een van de schatkisten pakt hij een armband vol met schitterende diamanten, rode robijnen en groene smaragden. Hij denkt, „Oh, wat zou mijn lieve moeder hier blij mee zijn.” Maar omdat Jan een nette jongen is, en niet steelt, legt hij de armband terug in de schatkist.

Aan de zijkant van de grot staan twaalf ijzeren vaten. 

„Wat zou daar in zitten?” dacht Jan. 

Hij tilt een deksel van een vat op en ziet dat deze leeg is.

Plots hoort hij ergens ver weg het diepe geschal van de veldhoorn weer,

„thuuuuuuuuu, thuuuuuu … thuuuuu, thuuu … thuu, thuuu!” 

Jan schrikt, „Oh lieve hemel, dat zijn de rovers, wat moet ik nu doen?”

Snel laat hij zich in één van de lege vaten zakken. Terwijl hij op de bodem zit denkt hij, „ik hoop maar niet dat ze in deze vaten poepen.” Maar hij herinnert zich de WC op de gang en haalt opgelucht adem.

Door de rotswand heen hoort hij de roverhoofdman brullen:

„Sesam, Sesam, Opent U!” 

Luidruchtig komen de rovers de grot binnen.

Plan

„Mannen luister,” zegt de roverhoofdman, „Ik heb een plan”.

„Vanmiddag  moeten deze vaten naar de Spaarbank. Daar worden deze vaten na sluitingstijd gevuld met gouden tientjes. Daarna worden ze door de Bank van Engeland opgehaald.

Maar voordat de vaten naar de Spaarbank gaan verstoppen jullie jezelf erin. Als de vaten dan binnen zijn komen jullie er naar sluitingstijd uit en binden het personeel vast. Daarna vullen jullie de vaten met Gouden Tientjes en verkleden jullie je als bewakers.

Boris en die Schele komen dan met een vrachtwagen die we vorige week bij de Bank van England hebben gestolen. We hoeven er dan alleen nog de vaten in te rollen en alle Gouden Tientjes zijn van ons. Ikzelf heb verleden week een gestreept pak, een bolhoed en een grote sigaar gestolen. Dan lijkt het net of ik een bankdirecteur ben.  Ik loop in de rondte om te kijken of jullie geen stommigheden uithalen.

Jan is bang. Want als ze straks in de vaten kruipen vinden ze mij en worden ze vast heel boos. Dan schreeuwt de roverhoofdman met een harde stem: „Mannen kruip in een vat, ik loop langs en maak de deksels vast. En denk eraan om geen poepies te laten als de deksel dicht is.”

De mannen kruipen in de vaten. Als er één in het vat wil kruipen waar Jan in zit tikt Jan tegen de onderkant van het deksel. „Oh,” denkt de rover, „daar zit al een van de mannen in.”

De roverhoofdman loopt langs en sluit de deksels van de vaten. Omdat Jan, in het dorp aan de andere kant van het bos bruine bonen met rauwe uien had gegeten, heeft hij het moeilijk.

De vaten worden door de overige rovers in de vrachtauto gezet en naar de Bank gereden. Daar worden ze naast de kluis met Gouden Tientjes gezet.

De rovers bleven doodstil zitten. Ze wachten tot het personeel na sluitingstijd de kluis met Gouden Tientjes zou openen. 

Als het een tijdje stil is tilt Jan voorzichtig de deksel een stukje op en kijkt in het rond. Omdat hij ziet dat de andere vaten allemaal gesloten zijn komt hij voorzichtig het vat uit. Hij sluipt op zijn tenen de deur uit.

In het bankgebouw komen vlak na sluitingstijd de boeven uit de vaten gekropen. En als de bankbedienden de kluis met de gouden tientjes openen worden ze gegrepen en vastgebonden. Dan doen de boeven de gouden tientjes in de vaten. Ze sluiten de bedienden in de kluis op en wachten tot het acht uur is.

Jan gaat, zodra hij uit het bankgebouw komt, direct naar het politiebureau. Daar verteld hij alles wat hij gehoord heeft. Ook verteld hij dat hij weet waar het rovershol is.

Zo zie je maar weer

De politie neemt meteen maatregelen. Als de rovers die avond de vaten met gouden tientjes in de gestolen vrachtwagen staan te laden worden ze door de politie gegrepen. Ze worden in de boeien geslagen en in de gevangenis gesmeten.

De hoofdcommissaris van de politie geeft Jan een hand en zegt dat hij hem uit naam van de Koning bedankt. Jan zegt, „dank u wel edelachtbare, maar ik moet nu snel naar huis anders wordt mijn lieve moeder ongerust.” De commissaris knikte begrijpend en zegt tegen de agenten, „agenten van het korps, applaus voor deze jonge held!” Alle agenten beginnen voor Jan te  klappen.

Hierna gaat Jan snel naar huis. Oooh, wat was zijn moeder ongerust geweest… maar toen ze hem zag was ze blij en gaf hem meteen een dikke pakkerd.

Epiloog

De volgende dag wordt er bij Jans huis op de deur geklopt. Als Jan de deur open doet ziet hij een deftige man staan in een grijs pak met een bolhoed op en een dikke sigaar in z’n mond. Over de bolle buik van de man hangt een zware gouden horlogeketting. 

De man haalt de sigaar uit z’n mond en zegt met een voorname stem, „Dag Jan, ik ben de bankdirecteur en ik ben trots op je. Hier heb je een kistje met duizend zilveren guldens erin.” 

Jans moeder kijkt trots naar haar zoon en zegt tegen Jan, „en Jan wat zeg je dan tegen meneer de directeur …?” 

Jan schrikt en omdat hij een nette jonge is zegt hij snel, „oh ja, dank u wel meneer de bankdirecteur.” 

De volgende dag koopt Jan voor zijn moeder een grote bos bloemen, een flesje eau d’cologne en het schilderij dat z’n moeder zo mooi vindt: het jongetje met traan

Jan en zijn lieve moeder leefde nog lang en gelukkig. 

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s