Ome Bep op de Begraafplaats

Ome Bep 26-6-1917

Als het aannemersbedrijf van mijn zwager Wil een waterleidingwerk aan neemt op ‘Westgaarde.
De begraafplaats in Amsterdam-West, mocht er absoluut niet overdag tijdens het begraven en cremeren gewerkt worden.
Mijn zwager heeft met de opdrachtgevers afgesproken dat ze alleen in de avonduren komen werken.

Op het bedrijf van mijn zwager was het meestal een gezellige boel, er werd hard gewerkt maar ook veel gelachen.
Ome Beppie vond het heerlijk om af en toe op het bedrijf te verschijnen.
Hij was druk met zijn vrouw de blinde tante Geertje, maar als hij wist dat mijn zwager in de buurt was met een werk, dan kwam hij vaste prik altijd even kijken.

“Hè, lekker effe dollen met de jongens,” zei hij altijd.
Heel even uit het verzorgen, wat hij trouwens met alle liefde deed.

Zo ook toen mijn zwager bij het crematorium werkte kwam Ome Bep op zijn brommertje aangereden.
“Zo jongens gaat het lang duren?” roept hij terwijl hij afstapt.    
“Bedoel je deze klus, ome Bep?”
“Ja.”
“Om een uur of twaalf moet het geritst zijn” zegt Wil.
Er moest hard door gewerkt worden maar dat deed aan de gezelligheid niets af.

Ome Bep had er voor gezorgd dat Geertje zich vermaakte. Van een luisterboek was toentertijd nog geen sprake.
Ome Bep las veel voor, tijdens het voorlezen liet hij een cassettebandje meelopen.
Zo had hij door de loop der jaren heel veel cassettebandjes vol gesproken.
En heel veel verhaaltjes op band.
Als tante Geer een paar uurtjes alleen moest doorbrengen, zetten hij een bandje op, hij was hiermee misschien wel de uitvinder van het luisterboek, ha,ha.

Om een uur of tien zegt mijn zwager: “Nog een uurtje of hoogstens anderhalf uur ome Bep, dan zit het er op.”
“O, is het al weer zo laat Jongens, wat vliegt zo’n avond toch, als je even gezellig bezig bent, maar dan ga ik nu snel naar huis, anders is Geer te lang alleen.”

“Weet je de uitgang in het donker?” vraagt Wil.
“Dat zal toch wel lukken.” zegt ome Bep, hij start zijn brommer en vertrekt direct.

Mijn zwager en zijn personeel maken de klus af en ruimen de boel op.
Het gereedschap laten ze tot morgen staan. Het staat daar veilig.
De opzichter vond het oké als ze het de volgende dag kwamen ophalen.

Als ze even voor halftwaalf klaar zijn met de klus, moeten ze allemaal tegelijk naar buiten.
Mijn zwager wil er zeker van zijn dat als hij afgesloten heeft, er zich geen personeel meer op het kerkhof bevind.
Als hij bij de uitgang staat en ziet dat zijn personeel het hek uit loopt, wil hij het hek dicht trekken, maar ziet plots heel in de verte een klein rood lichtje.
Hij zegt tegen zijn broer Arno die Wils beste werknemer is en  bij hem in de auto zit, “Dat zal toch Ome Beppie niet zijn?”
“Ik keer even om hoor, want ik wil zeker weten dat er niemand op de begraafplaats is als ik afsluit.”

Als ze dichter bij het rode achterlicht komen ziet Wil dat het inderdaad ome Bep is die er rijdt.
Veel dichterbij komen ze niet snel, want ome Bep begint steeds harder te rijden.
Die is als de dood….! Hij vindt de begraafplaats op zich al niet prettig, maar hij denkt dat hij achterna gezeten wordt door een stel onverlaten.
“Wat ben ik blij dat jullie het zijn,” roept hij opgelucht man het liep me dun door de broek.” “Ik kon de uitgang en jullie ook niet meer vinden, kerkhoven ik verdwaal er altijd.”
“Nou ome Bep als je dood bent zullen we je laten verankeren,” zegt wil lachend.
“Wat zal Geertje ongerust zijn,” zegt ome Bep nog steeds een beetje ontdaan.
En als mijn zwager hem naar de uitgang begeleid is hij reuze opgelucht en begeeft zich razendsnel richting huis.

De volgende middag komt mijn zwager met één van zijn personeelsleden het gereedschap ophalen.
Hij vertelt in geuren en kleuren aan de opzichter het verhaal van ome Beppies verdwalen op het kerkhof.
En dat hij tijdens het achtervolgen steeds harder ging rijden.

“Ja zegt mijn zwager voor de gein, jammer dat hij er niet is anders hadden we hem nog even kunnen dollen.”

Hij is nog niet uitgesproken of wie komt er aan op zijn brommer? Ome Beppie.
Ome Bep loopt met zijn brommer aan zijn hand op hun af en zegt.
“Wil, heb jij mijn pet gevonden? Ik ben hem kwijt.”

De opzichter trekt een ernstig gezicht en vraagt met een uitgestreken gezicht.
Bent u de persoon die hier gisteren de weg kwijt was?”
“Nou man, hou op!” zegt Ome  Bep. “Ik heb in mijn piepzak gezeten.”

“Ik kon de uitgang niet vinden en dan heb je toch in je achterhoofd, straks gaat het hek dicht en zit ik hier met al die dooie, ik moet er niet aan denken.”
“Dood, doodeng,” mompelt hij.”

De opzichter zegt met een uitgestreken gezicht:”Neemt u me niet kwalijk maar ik ben blij dat ik u persoonlijk tref, want wat er vannacht gebeurd is dat kan echt niet zonder consequenties blijven. Er zijn  twee urnenpalen totaal verwoest. U heb niet alleen op de paden.. maar ook ernaast gereden. Dat gaat absoluut flink in de papieren lopen.”

Ome Bep trekt wit weg zet grote ogen op en zegt, “Daar heb ik niks van gemerkt, maar het was wel pikdonker.”

Dan pakt Wil ome Bep zijn pet, zet hem op Bep zijn hoofd en zegt lachend, “Maar dat gaat Jan met de Pet mooi niet betalen, van een kale kip valt mooi niks te plukken ome Bep?”

“Waarop de opzichter lachend zegt: “Maar we kunnen wel proberen hem een poot uit te draaien. “Laat je niet dollen hoor Ome Beppie,” zegt Wil schaterend ” Gggeintje…”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s