Gelijk een Bloem Gelijk het Gras …

Mijn vader zei vaak dat er bij elke goede dokter een lijstje aan de muur hing met daarop de volgende spreuk:

Papa

Alle die voor mij verschijnen, genees ik met mijn medicijnen, maar is het toeval al te groot, ik heb geen kruiden voor de dood.”

Mijn vader had zolang hij het zich kon heugen bij lichamelijke inspanningen last van duizelingen. Toen hij een jaar of vijftig was zei hij tegen mijn moeder, “Ik weet niet wat ik heb Tonie, maar het zou me niet verbazen als ik een maagzweer heb.”

Onderzoek wees uit dat hij lekkende hartkleppen had, een ernstige zaak dus.
Hij kreeg een hele waslijst aan medicijnen mee. Maar desondanks deze werd hij bij de minste inspanning nog steeds duizelig en transpireerde hij ontzettend.

Omdat de medicijnen niet bleken te werken begon de cardioloog van het Wilhelmina Gasthuis met hem over een nieuwtje te praten, een zogenaamde ‘openhartoperatie’. Als hij hiermee zou instemmen, zou hij één van de eersten zijn die in het WG op deze manier geholpen zou worden. Mijn vader zei, “Ik ben er wel een voorstander van, want zoals ik me nu voel, dat is niks.”

Hij kwam in een lang onderzoekstraject terecht. In de familie werd er veel over gepraat, maar zijn besluit stond vast; hij zou zich laten opereren.

Er kwam een datum, de operatie zou plaats vinden op donderdag  23 januari 1969.
Een dag daarvoor zou hij worden opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis.

Op 21 januari werd mijn oudste zoon Peter zes jaar. Mijn vader kwam, samen met mijn moeder op de tram naar het Maurits Sabbehof, om hun oudste kleinzoon te feliciteren en hem een Dinky Toy racewagentje te geven.
Hij droeg een wit overhemd met een sobere stropdas en deed of er niets aan de hand was, maar ik kon duidelijk zien dat hij nerveus was.
Omdat hij om twee uur het ziekenhuis moet bellen en ik geen telefoon had hebben we bij de buurvrouw gebeld.

Als m’n moeder en vader de volgende dag op weg naar het ziekenhuis door de Nicolaas Beetsstraat lopen rent er een zwarte kat de straat over. M’n moeder, die heel bijgelovig is, doet net of ze het niet ziet. Mijn vader zwijgt een moment, kijkt dan mijn moeder aan en zegt lachend, “Kijk d’r een gelegenheids gezicht trekken. Dacht je nou echt dat ik die kat niet zag, nou ik ben gelukkig niet bijgelovig.” M’n moeder zei niets maar keek bezorgd voor zich uit.

De avond voor de operatie was het hele gezin er; m’n moeder, Ton, Peter, Ruud, Leny en ikzelf. We mochten slechts een half uurtje op bezoek, stipt tussen tussen 18.30 en 19.00 uur.

Op de gang liepen diverse verpleegsters en artsen met een bordje op hun borst met daarop geschreven: Dhr. Van Klaveren. Het leek wel of de gehele afdeling om mijn vader draaide.

We gingen zijn kamer binnen. Mijn vader lag op bed. Wij gingen om hem heen zitten. Hij vertelde dat die middag alle onderzoeken waren afgerond en dat zijn lichaam was geschoren.

Leny, die pas 13 jaar was, ging naast hem zitten. Hij sloeg z’n arm om haar heen en zei, “Ach die operatie daar merk je niks van, dan lig je te slapen. Maar als ik eerst mijn ogen maar weer open heb en m’n Eusie* weer zie.” Hij drukte Leny tegen zich aan en vervolgde, “dan vecht ik me zelf er wel weer boven op.” Daarna zei hij met een zachte stem tegen haar, “Lieverd, als het niet goed met je vader mocht aflopen, let dan heel goed op je zelf. Beloof je papa dat?”
Leny verstarde en schudde ja.

Toen het half uurtje voorbij was en we naar huis moesten, hebben we hem – één voor één – geknuffeld. De bij het afscheid gesproken woorden: “Paps, tot na de operatie,” klonk als een poging om onze eigen, en zijn onzekerheid, te verdringen met een soort van ongegrond optimisme. Daardoor voelde het toch eigenlijk meer als een afscheid.

Eenmaal buiten gekomen zagen we dat hij voor het raam stond. We hebben nog lang naar hem gezwaaid. Hij zwaaide langzaam terug terwijl hij ons één voor één diep in zich opnam.

Op de dag van de operatie leek de tijd bijna stil te staan. M’n zuster Ton werd laat in de middag gebeld met de mededeling dat de operatie goed was verlopen en dat Dhr. Van Klaveren momenteel op hartbewaking lag.

Toen we de volgende dag op bezoek mochten, kregen we steriele kleding, plastic sloffen en een gezichtsmasker. We liepen door een sluis zijn kamer in en zagen hem daar tussen allerlei apparaten en slangen op bed liggen. Hij lag op z’n rug en had een rubber ding in z’n mond. Zijn borstkas was helemaal ingepakt en zijn huid eromheen was geel van de jodium. De verpleegster zei dat het ‘ding’ in z’n mond een apparaat was wat er voor zorgde hij zijn tong niet zou inslikken.
Ik keek naar z’n ingepakte borst en voor m’n gevoel zag hij er sterk uit. Ik ging dan ook redelijk optimistisch huiswaarts.

Tijdens het bezoek de volgende dag reageerde professor Meijling – de vrouw die mijn vader het hele traject begeleide – op de vraag hoe het met mijn vader ging met het nodige voorbehoud. Het ging redelijk maar de patiënt was tegen de verwachting in nog niet uit de narcose ontwaakt.

Tijdens een bezoek zag ik mijn broer Ruud tegen hem praten. Hij zei, “Kom op papa, kom op papa, wakker worden, we hebben elkaar nog zoveel te vertellen.” Ik keek het aan en dacht hoopvol, “ja, dat is het. We moeten hem wakker schreeuwen.”
Het mocht niet baten.
Mijn vader ontwaakte niet. En omdat deze situatie in de dagen erna bleef voortbestaan brokkelde het uitzicht op een goede afloop langzaam, stukje bij beetje, af.

Thuis werd ik bang voor de berichten. Ik hoopte op een goede afloop en zei constant tegen mezelf, “let op, vanaf nu zal het beter gaan!”

Maar het ging niet beter. Elke dag weer kwam er meer negatief nieuws, zijn nieren lieten het grotendeels afweten, zijn lever functie liep terug.

Het was zondag twee februari 1969. Ik zat thuis met mijn gezin aan het avondeten toen er geklopt werd. De buurvrouw stond voor de deur. Ze zei, “Riet je zuster heeft gebeld en gezegd dat je naar het ziekenhuis moet komen.

Ik trok mijn jas aan en rende naar de tram. Toen ik in het ziekenhuis aankwam stond mijn moeder samen met mijn broers en zusters beneden in de hal. We keken naar de trap en zagen professor Meijling en ‘Arie van de duivenvereniging’ samen de trap afkomen.

Beneden gekomen staat Arie er ontdaan bij en zegt, “Mensen, gecondoleerd allemaal, wat verschrikkelijk hé. Ik dacht bij mezelf, ‘Ome Piet’ is vorige week geopereerd en hij zal wel weer wat opgeknapt zijn. Dus ik dacht, ik ga hem even wat sinaasappeltjes brengen. Maar dit is echt het laatste waar ik op gerekend heb.”

We mochten hem nog even zien. Zijn lichaam lag in een kleine kamer op een bed met witte lakens. Je kon duidelijk zien dat het leven uit dit koude lichaam verdwenen was. M’n vader bestond niet meer.

We waren er de afgelopen dagen door de arts al op voorbereid. Maar het besef dat m’n vader er niet meer was, was zo onwezenlijk, zo vreemd, dat het voelde alsof ik in een vacuüm terecht gekomen was. Ik zat gevangen in m’n eigen onvermogen. De wereld draaide gewoon door – maar m’n vader van 59 jaar was dood – ik zou hem nooit meer kunnen spreken. Dat kon toch niet waar zijn?

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Gelijk een bloem, gelijk het gras,
is ons kortstondig leven.

Gelijk een bloem zich boven ’t veld verheven,
wel kostelijk prijkt, maar machteloos is en teer,

Wanneer de wind zich over het veld laat horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren,
Men vind en kent haar standplaats niet meer.

Joost van den Vondel

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

*Koosnaam voor Leny

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s