Pleisters en Hoeren

Elk jaar op één juni begint het nieuwe vis seizoen en zijn de wormen niet aan te slepen.

“Papa, waar ga je naar toe?” vraagt de achtjarige Peter, als hij ziet dat zijn vader zijn fietssleuteltje pakt. 

“Ik ga even naar Johnny Broers wat baaltjes wormen afleveren.”
“O leuk, mag ik mee?” vraagt Peter en loopt meteen naar zijn schoenen.
“Jonge ik heb die wormen al op mijn fiets.” “Ik kan toch achterop,” zegt Peter.
“Als je beloofd me heel goed vast te houden.”

Even later rijdt Piet met voorop zijn transportfiets twee baaltjes wormen, en achterop zit Peter.
Die zit met zijn hoofd tegen zijn vaders rug en zijn twee armen zijn stevig om zijn vaders middel geslagen, ze rijden richting Staalstraat.

Als ze in de Staalstraat aankomen zien ze de winkeldeur wijd open staan. Rex de grote herdershond ligt op de deurmat.
Als Piet naar binnen wil springt de hond meteen op en begint te grommen en te blaffen, hij staat met een woeste blik en gekromde rug in de deur opening.
“Papa bijt die hond?” vraagt Peter, terwijl hij achter zijn vader gaat staan.
“Nee, hoor hij kent mij wel” zegt Piet.
Als Piet zachtjes tegen de hond begint te praten kalmeert hij snel, en loopt direct de winkel in.

Peter vindt de grote hond met die slijmerige  bek met grote tanden, erg eng maar als hij ziet dat de hond door zijn vader gekalmeerd word verdwijnt die angst al snel.

Piet ziet meteen wat er gaande is. Johnny, die erg gek op een borreltje is ligt zijn roes uit te slapen, in de teil met wormen, de wormen kruipen over zijn hele lichaam tot over zijn gezicht aan toe. 
Hij heeft een bloederige wond op zijn voorhoofd en van zijn linkerhand waar een diepe jaap in zit, zijn flink wat bloeddruppels op de tegelvloer gevallen.

“John wordt is wakker, kijk is hoe je er bij ligt man,” roept Piet, terwijl hij aan Johnny zijn schouder schudt. John doet lodderig zijn ogen open, als hij Piet ziet staan zit hij meteen rechtop in de teil, “Gadverdamme, wat heb ik nou weer,” zegt hij met een dubbele tong.

“John, je heb weer eens te diep in het glaasje gekeken, man wat zie je er uit, waar heb je pleisters?”
“Pleisters? heb ik niet,”
“Ga je dan eerst maar is wassen,” zegt Piet.

“Straks krijg je nog een infectie, waar is hier in de buurt een drogist of een apotheek dan haal ik even jodium en pleisters voor je,” zegt Piet.

Johnny loopt minder vast dan normaal, naar het keukentje achter in de zaak om zich te wassen.
“Hier Piet een juutje* als je even pleisters wil halen graag! heb je genoeg aan een juut? voor pleisters en jodium.”
“Ja natuurlijk, ik zal ook nog wat verband meenemen, het lijkt me beter als we die hand van je eerst maar is goed verbinden.

Na dat Peter eerst verbaasd naar Johnny Broers had staan kijken, werd nu zijn aandacht geheel door de tropische vissen in beslag genomen.
“Piet roept van uit de keuken, “Ga je met me mee naar de Apotheek Peet.
Peter die geboeid is door de visjes zegt meteen, “Pap moet ik mee, mag ik niet effe naar de vissie’s blijven kijken.”
“John,” roept Piet, kan die jongen even hier blijven, ik ben zo terug, ik spring wel even op mijn fiets.”
 “Ja, oké.”

Piet springt op zijn fiets en rijd de Staalstraat uit de Kloveniersburgwal op. Als hij op het gedeelte komt waar nogal wat dames van lichte zeden zitten mijmert hij, “Goh, het zijn toch mooie meiden zonde dat ze zo in het leven staan.”

Dan tikt er één van de hoertjes die hij passeert, met een grote ring zo hard op het raam dat Piet zich wezenloos schrikt en een rare beweging maakt, waarbij hij de macht over zijn stuur verliest en pardoes in de goot kinkelt.

Zijn hand bloed en zijn knie, die precies op de stoeprand komt, ligt open maar op dat moment voelt hij nog niks, hij springt direct overeind. Zijn stuur staat scheef hij buigt het recht zonder ook maar één blik op zij te werpen.

Twee dames die voor het raam zaten zijn al naar buiten gerend. “God, zal me lazarus, wat maak jij een klere smak joh,” zegt de dame die tegen het raam heeft getikt, met een duidelijk onvervalst Amsterdams accent. “Van mij hoef je niet te schrikken hor, in tegendeel ik wouw je binne roepe om je is effe lekker te verwenne, maer dat ken as nog hor lieverd.”

Dan valt de andere dame die aan haar tongval te horen waarschijnlijk van Vlaamse afkomst is, haar in de rede met de woorden, “Ale Manneke, kom de ge anders bij mij een schoon wipske maken.”

Piet stamelt iets van “Apotheek,” en weet niet hoe snel hij op zijn fiets moet springen om de steeg uit te vluchten.

Bij de apotheek denkt de apothekersassistente dat de pleisters voor Piet zijn, want zijn hand ligt aan één kant helemaal open.

“Spoelt u de wond maar even schoon dan zal ik hem wel even voor u verbinden,” zegt ze. Piet wast zijn handen goed en de assistent verbind zijn hand.

Piet neemt op de weg terug een andere wat langere route, hij wil voor geen goud van de wereld de twee dames die hem in de goot hadden aangetroffen nog een keer onder ogen komen.

Als hij in de Staalstraat aan komt met zijn pleisters, jodium en verband is John heel verbaasd dat Piet zijn hand ook ingepakt is.

Als Piet het relaas in geuren en kleuren verteld, zegt Peter “Papa gaan we zo ook nog effe naar de speeltuin?”

Waarop Piet verbaast zegt, “Jonge ik weet hier geen speeltuin.”

“En die mevrouw wou met u op de wip,” zegt Peter vragend. “Ja nou je het zegt, ik denk dat ze misschien wel een wip in haar tuin heeft staan, kom we gaan naar mama.”

*Tien gulden

Een gedachte over “Pleisters en Hoeren

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s