Piet de Pierenwipper

Mijn vader Piet, heeft na de oorlog een poosje met de voddenkar gelopen, die was voordien van zijn vader geweest. Er viel weinig te verdienen. Door de grote werkeloosheid liepen er alleen al in de binnenstad van Amsterdam 500 venters.

“Tonie, de verkoop was weer knudde vandaag, ik ga nog maar effe een hengeltje uitgooien, kijken of ik nog een vissie kan vangen voor bij het eten,” zegt Piet.

Hij pakt zijn visspullen, zijn wormenbakje is leeg, er zit niks anders op, hij moet eerst wormen halen. Buiten gekomen springt hij op zijn fiets, en trapt flink tegen een stevige wind in naar de Staalstraat.

Daar bevind zich de hengelsportzaak van Johnny Broers, “John, doe mij een stuiver wormen,” zegt Piet als hij aan de beurt is. “Ik zou je graag helpen jongen maar kijk is hoe het er voorstaat zegt John, hij wijst naar een lege teil met wat aarde op de bodem. “Ik moet aan een andere pierenwipper zien te komen, maar dat is niet makkelijk.

Je kan het beste even, bij De Hengel Centrale in de Jan Steenstraat gaan vragen daar waren ze gisteren nog te krijgen,” zegt hij.

De heer van Hoorn, en zijn compagnon de toen bekende schrijver van sportvissers boeken Rein Meidema* zijn de eigenaren van deze zeer luxe hengelsportzaak. Hij krijg daar een klein puntje wormen, Als van Hoorn hoort dat dit Piets tweede adres is waar hij voor wormen komt zegt hij. “Ja dat is moeilijk op het moment, ik zit ook verlegen om een wormenleverancier.” Hij staart even voor zich uit, en zegt dan. “Is dat niks voor jou Piet, het betaald goed hoor.” Piet word er door overvallen, en zegt, ik zal er over na denken.

Thuis gekomen heeft hij het er met Tonie mijn moeder over, die vindt het een raar idee. Ze zegt “Is dat niet gek.” Mijn moeders antwoord was precies het zetje dat mijn vader nodig had.

“Nee, die voddenkar is wat!” zegt hij. “En gek, wat is er trouwens gek aan, * Tonie laat ik je één ding zeggen, een mens hoeft zich nooit te schamen voor de manier waarop hij op een eerlijke manier zijn brood verdient.”

Tonie begreep het, het grootste voorbeeld was wel haar vader een gestudeerd man die in deze slechte perioden ook blij met elk baantje was .

Hij wil het gaan proberen, hij heeft een transportfiets dus daar kan de handel mooi op.

Vroeg in de morgen gaat hij op de fiets met twee gonje zakken, en de greep die hij van zijn zwager Willem had geleend, naar het Centraal Station en neemt de trein.

Op aanraden van meneer van Hoorn gaat hij eerst naar Den Bilt waar hij al snel een goeie stek vindt, hij steekt daar één of twee baaltjes wormen, waar hij in het begin de hele dag zijn handen vol aan heeft.

Maar binnen een week of twee heeft hij de slag te pakken en is de hoeveelheid die hij per dag kan vervoeren in een halve dag klaar.

Hij merkt al snel dat dit een leuk handeltje is, en hij kan gaan en staan waar hij wil. Toen hij aan van Hoorn leverde, is hij naar Johnny Broers, gegaan die had ook interesse. Toen hij bij de zaak van Willem Mol in de Nicolaas Beetsstraat, ook nog kon leveren had hij drie zaken en zijn handen vol.

Hij kon zich laten inschrijven als grossier, in hengelsport artikelen. Maar bij ons thuis werd hij op zijn Amsterdams, Wurmensteker genoemd.

*Rein Meidema was in werkelijkheid de levenspartner van meneer van Hoorn maar daar kwam in die tijd niemand voor uit.

* Deze uitspraak van mijn vader was ik vergeten maar wist mijn broer Ruud zich gelukkig te herinneren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s