Bomen in de Kinkerstraat

Januari 1942, het was inmiddels al bijna twee jaar oorlog. Alles was op de bon. Het was de beruchte winter van ’42 en het was koud, ontzettend koud. 

Voordat de oorlog uitbrak stonden er in de Kinkerstraat hoge bomen. Tijdens de oorlog duurde het niet lang of bijna al deze bomen waren illegaal tot brandhout gereduceerd. Maar bij Tonie’s moeder in de Kinkerstraat – voor de deur van nr. 176 – stond er nog één. 

Toen Piet met Tonie en de kleine Toot bij Tonie’s moeder op bezoek was kreeg hij een plan. Als je namelijk bij mijn Oma de voordeur opendeed, belande je in een gang van een meter of vijf á zes lang. Als hij nu eens samen met de mannen van Tonie’s kant – zodra het donker was – die boom omlegde en die lange gang insleepte dan konden ze hem daar in stukken zagen.

Hij besprak het plan met Tonie’s broers Dik en Wim en haar zwagers Sjaak en Gerrit Limburg alias ‚die witte’. Samen werkte ze de details van het plan uit en maakte ze een taakverdeling. 

De Kinkerstraat toen er nog bomen stonden

Belangrijk was dat de operatie direct naar het invallen van de duisternis plaatsvond want om 20.00 uur was het spertijd *.

De vraag bleef echter bestaan of die boom überhaupt wel in de gang paste. Maar goed, ze waren het er met z’n alle over eens dat nooit geschoten altijd mis was, en dat ze het dus maar op hoop van zege moesten proberen.

De volgende dag werd er een grote trekzaag beneden in de gang bij Tonie’s moeder klaargelegd. Piet keek regelmatig door een klein klepje in het afgeplakte raam naar buiten of het al donker was. Tot z’n verbazing ziet hij een kleine jonge die probeert – op z’n tenen staand – zo hoog mogelijk tegen de boom op te piesen. Met een glimlach op z’n gezicht schut Piet z’n hoofd en mompelt, „nou, nou, nou..”

Tien minuten later zegt Piet, „mannen, het is bijna zover, ik ga nog even voor een grote boodschap naar het kleine kamertje en dan kunnen wat mij betreft aan de slag.

De mannen lopen de trap af. Sjaak pakt de trekzaag om de boom mee om te zagen. In een houten groentekist liggen een roestige handzaag, een slagersbijl en een groot broodmes om de boom mee tot brandhout te verwerken.

‚Die Witte’, maant de mannen met zijn hand tot stilte. Voorzichtig opent Piet de voordeur om te kijken of de kust veilig is. 

„Krijg nou het heen en weer,” zegt Piet.

„Wat is er?” vraagt die Witte.

„Ben ik nou gek geworden… die boom is weg,” zegt Piet.

„Neem jij lekker je moer in de zeik,” klinkt het achter in de gang.

Piet schut z’n hoofd, „nou daar zakt m’n broek van af.”

Even later staande mannen hoofdschuddend om de stronk heen. 

„Dat is toch te gek voor woorden.” zegt Dik.

„ Achenebbisj, zegt die Witte.

„Een fraaie toestand hoor,” zegt Sjaak.

Wim zegt niets, hij kijkt een paar tellen met open mond naar de stronk. Krapt achter z’n oor. Schut ‘nee’ met z’n hoofd en geeft een trap tegen de stronk.

„Nou breekt m’n klomp, waar is die boom gebleven?” zegt Piet.

Normaal waren ze hier nooit achter gekomen. Waar het niet dat Tonie’s zuster Bets een paar jaar later verkering kreeg met ene George Ritscher. De ouders van George hadden een deftige parfumerie op de hoek Nicolaas Beets- en Borgerstraat.  Onder de parfumerie bevond zich een grote kelder met een raam laag aan de straat. George had zich samen met zijn zwager Salomon ‚Sal’ Fransman getraind om in een bliksemactie bomen om te leggen en direct door het raam de kelder binnen te slepen. 

* De uren waarin de bevolking niet op straat mag zijn.

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s