Jantje Krijgt een Kogel in z’n Hoofd

Voorjaar 1941, na een periode van aanhoudende neerslag is het voorjaar nu definitief begonnen. Het is prachtig weer en de zon schijnt warm over bezet Nederland. 

Op de eerste verdieping van een woning in de Anjeliersstraat zegt Piets zuster Dien tegen haar zestienjarige zoon. „Jantje, loop jij als je terugkomt van de leeszaal even bij tante Corrie langs om de leest te vragen. En kam je haar voor je naar buiten gaat, zo ken je met goed fatsoen niet over straat.”

Een uurtje later loopt Jantje vrolijk in z’n korte broek de leeszaal aan de Boomstraat uit. Hij had een stapeltje toffe jongensboeken onder z’n arm. „Wat is het druk op straat.” denkt Jan.

Enorme wolken zwarte roet uitblazend komen er langzaam twee Duitse legerwagens de straat in rijden. Ze stoppen, de achterkleppen vallen naar beneden er er komen Duitse soldaten uit.

„Een razzia!” denkt ik. Ik hoor geschreeuw, „Stehn bleiben!” Ik klem m’n boeken onder m’n arm en denkt als een idioot, „ik wil dit niet, ik wil naar huis om m’n boeken te lezen.”

Ik hoor twee keer een kogel fluiten. Dan voel ik mijn lichaam langzaam onderuit gaan. Mijn schedel slaat met een bonk op straat en blijft oneindig galmend natrillen. Ik voel dat er zich aan m’n hoofd een bloem van vlees opent. Eerst tergend langzaam maar dan met steeds grotere snelheid word ik weggezogen,  een donkere ruimte in – gevuld met gele en groene vonken en purperkleurige vlekken – die traag bonkend oplossen in een tijdloos niets.

„Waar ben ik…. wie ben ik….” gonst er door mijn hoofd. Ik kijk van een afstand naar deze woorden die zich als een zoemende mug in een elliptische baan verwijderen en weer dichtbij komen. M’n ogen gaan niet open, m’n oogharen zitten aan elkaar geplakt. Wrijven kan niet, m’n handen zitten vast aan het bed, ik trap met m’n benen …. kortademigheid …. paniek. Iemand wrijft over m’n onderarm, ik voel een naald m’n lichaam inschuiven. M’n lichaam vult zich met een warm, melkachtig licht. Ik voel m’n pijn en paniek als een schip over de horizon wegzeilen. Traag daalt er een diepe zoete slaap over me heen.

Drie maanden lang heeft Jan in het Wilhelmina gasthuis in coma gelegen. Gedurende deze periode kwam zijn moeder elke dag op bezoek.  ’s Avond thuis vraagt ze om de paar minuten aan haar man, „waarom Jan, waarom die lieve jongen, waarom ons Jantje?” Vader pakt haar bij haar schouder en zegt, „Dienie, ik maak een lekker bakkie thee voor je”.  Hij loopt naar het aanrecht, snuit zijn neus en wrijft een traan uit z’n ooghoek.

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s