Piets Tijd in Werkkamp Veenhuizen

Het was inmiddels januari 1939 geworden. Piet was nog steeds werkeloos. Nadat ze hun huis hadden ingericht was het leeuwendeel van hun spaargeld verdwenen. Omdat ze nog wel een klein bedrag opzij hadden staan – voor de meest primaire levensbehoeften – was er niet direct sprake van een acute crisis. Na een maand of twee echter kwam de bodem van de schatkist in zicht. Ook waren ze erachter gekomen dat Tonie zwanger was. De combinatie van deze twee factoren leidde tot gemengde gevoelens. Aan de ene kant waren ze verheugd over de komst van een baby,  maar aan de andere kant lagen ze ook wel vaak ‚s nachts wakker en vroegen zich af hoe dit nu in hemelsnaam verder moest. Ze kregen immers alleen een klein handje ‚armengeld’ van De Staat. Net genoeg om niet van honger te sterven, maar te weinig om de huur van te betalen.

Piet probeerde van alles, maar door de grote werkeloosheid kon hij geen werk vinden. Piet had het hier behoorlijk moeilijk mee. Hij was een trotse vent en het lag niet in zijn aard om z’n hand op te houden of op liefdadigheid te zijn aangewezen. Ondanks het feit dat Tonie zichzelf ook best schaamde, vertelde ze aan Piet dat het onzin was om zich te schamen. De helft van de mensen in het land zat immers zonder werk. Maar er zit weinig verband tussen verstand en gevoel ~ en ondanks Tonie’s rationalisaties ~ schaamde Piet zich in stilte en liep met z’n ziel onder z’n arm. Hij was minder evenwichtig dan voorheen. Vaak was hij heel lief voor de zwangere Tonie maar ook was hij ~ vaker dan voorheen ~ geïrriteerd over allerlei kleine zaken. Ook wond hij zich onnodig op over allerlei wereldlijke zaken die compleet buiten zijn controlebereik lagen, het klimaat, het geloof, de politiek en vooral het kapitalisme.

Werkverschaffing

Het was dan ook met gemengde gevoelens dat Piet het bericht ontving dat hij zou worden uitgezonden naar de werkverschaffing in Drenthe. Een streek die toen min of meer bekend stond als de Rimboe van Nederland. Aan de ene kant was Piet verheugd dat hij dan in z’n eigen onderhoud zou voorzien. Aan de andere kant bedroeft omdat hij ver weg zou zijn van z’n geliefde Tonie, die inmiddels drie maanden zwanger was.

Op transport

De regen kletterde op de overkapping van het Centraal Station in Amsterdam. Piet stond tezamen met honderden rokende mannen ~ die allemaal dezelfde grauwe petten droegen ~ op de trein te wachten. De trein die hen zou transporteren naar het verre Veenhuizen. 

Onderweg praatte er bijna niemand. De ogen van de mannen draaide  onwillekeurig ~ als magneten met dezelfde polariteit ~ van elkaar weg. Aangekomen in de woestenij van Drenthe werden ze over een modderig pad langs een eindeloze bruine beukenheg naar de barakken geleid. 

Varkenskop

Een forse man met rossig stekelhaar, een mopsneus, rode konen en kleine varkensachtige oogjes keek op z’n klembord en schreeuwde: 

„H. Meijer 1913, hangmat F12, 

P.C. van Klaveren 1909, hangmat F13, 

D. Sok 1910, hangmat F14…….” 

Piet legde z’n plunjezak in de ruwe hangmat.  Hij keek in het rond en overzag moedeloos de bijna eindeloze slaapzaal. Hij dacht, „God-here-jezus, waar ben ik nu weer in terechtgekomen.”

Gereserveerde houding

„Sapper de kriekmoes, appel de flap, wat jeukt me de maag sam,” zei dhr.  D. Sok van hangmat F14, terwijl hij z’n broek uit z’n naad trok. 

„Tja…,” antwoordde Piet.

Waarop dhr. Sok met z’n klompen tegen elkaar tikte en met een gekunstelde deftigheid sprak, „Iets zegt me dat onze geliefde vorstin van een fraaier slaapvertrek geniet, terwijl de goede vrouw toch ook, net als wij – ’t corps werklozen – op kosten van de belasting betalende burger bestaat.”

„Hmm”, antwoordde Piet. Het leek hem verstandig – alhoewel dat niet in z’n aard lag – om zich een beetje op de vlakte te houden en zijn mening – hier in het werkkamp – niet met Jan en alleman te delen.

Werkkamp Veenhuizen

Vertering

In de eetzaal was het tochtig. De mannen zaten aan lange smalle tafels hun geëmailleerde kommen leeg te lepelen. Overwegend rats, kuch en bonen. Niet lekker … niet vies … je kon het binnenhouden. Vullen deed het wel, als beton. Na het eten kon je met moeite bukken. Door de mannen werd er dan ook onderling geklaagd: „Man, man, man, van dat gore vreten krijg je elke dag weer opnieuw een splinter in je rug”. 

Piet onderging het hele gebeuren in de barakken met een vrij stoïcijnse houding en liet zich zelden – alhoewel zijn stoelgang ook niet soepel verliep – tot dit soort geweeklaag verleiden. 

Graven

Overdag werd er aan diverse projecten gewerkt: het Beilenbos en het vliegveld Eelde werden aangelegd en er werden diverse kilometers lange vaarten uitgegraven.

Alhoewel er toendertijd al graafmachines bestonden werden deze in Veenhuizen niet gebruikt.

‚Heren, heren, laten we de zaak – ter willen van deze kleine lieden – zoveel mogelijk arbeidsintensief houden’ dat was het motto van de deftige – sigaren rokende – heren van het bestuur. Aldus werd alles – in het zweet des aanschijns – met de schep uitgegraven en met de kruiwagen weggereden.

Veel van de mannen hadden de eerste weken blaren op hun handen van het ruwe hout van de schep. Het viel dan ook niet mee om per dag minstens tien uur in de kou te moeten scheppen.

Oneindig landschap

Grote cumulus wolken vulde het uitspansel. Piet die van de kamparts afkwam zwoegde voort door een eindeloos veld van zware klei. Hij had trek in een shaggie. Maar ja, dat mocht niet, dus nam hij maar weer een stuk pruimtabak. Al kauwende voelde hij de nicotine tinkelend langs zijn ruggengraat rollen. Het bloed begon in z’n schedel te bonzen. Het landschap draaide vaag om hem heen. Piet kneep z’n neus dicht en ademde diep in en uit. Naar lange seconden kreeg hij langzaam z’n focus terug. Z’n voorhoofd bonste, hij voelde zich koortsig. Langzaam voelde hij zich kleiner en kleiner worden, als een onbeduidend poppetje op een enorme klomp klei. Verderop, aan de horizon stonden z’n kameraden als tinnen soldaatjes in lange rijen te graven. Een voor hem nieuw denkbeeld welde op, „wat is de zin van dit alles, wat doet de mens hier toch op deze aarde…” Na een minuut van ongemakkelijk gepeins schudde hij abupt z’n hoofd en zei, „kom op Piet kerel… je moet verder”.

Nijverheid

Ondertussen zat Tonie alleen thuis. Alhoewel ze zich vaak eenzaam voelde verveelde ze zich over het algemeen niet. Ze gebruikte haar tijd met het breien van babykleertjes en het borduren van de lakens voor de baby. Ook haakte ze een prachtige babycape.

Met een beetje geluk mocht Piet in het weekend naar Amsterdam. Tonie maakte dan Piets lievelingseten: draadjesvlees met vette jus. Ze liet dan een pond riblappen in een pond rundervet, een pond varkensvet en een pond niervet de hele dag op het petroleumstel sudderen.

Het vlees werd met een paar lepels jus opgediend met gekookte aardappelen en bloemkool of sperziebonen. De rest van de jus werd dan in de aankomende week door Tonie opgegeten en de pan ging hierbij iedere week leeg tot op de bodem.

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s