Het Lied van den Oude Grijsaard

Kent u hem nog? Kleintje Pils, de Belgische vluchteling die ten tijde van de Eerste Wereldoorlog met zijn gezin in de benedenwoning op de Egelantierstraat 34 kwam te wonen. Het gezin woonde er niet alleen ze werden gezelschap gehouden door vele muizen, ratten, kakkerlakken en andere kruipende wezens. Doch, dit was geen zeldzaamheid – in de meeste woningen was dit het geval.

Kleintje Pils was een vrolijk manneke. Hij had geen werk, maar hielp de buren waar hij maar kon: met houtjes hakken of als er iets versjouwd moest worden, noem het maar op. 

Het is een koude winterdag. Er schaatsen kinderen over het ijs op de Prinsengracht. Oma staat hoestend de trap te boenen. Kleintje Pils opent de voordeur van zijn woning en zegt, “Allez madammeke, dat gaat zo niet, geef mij dat vod maar. Met uw permissie kuis ik de trap.”

U zult zich misschien afvragen waar de bijnaam Kleintje Pils vandaan kwam. Nu, dat zat zo:

a) hij was een klein manneke,

b) hij hield erg van een pilske.

Oftewel Klein Manneke Pilske. 

Hetgeen eerst in het Nederlands werd vertaald en daarna door de stem van het volk werd vereenvoudigd tot het pakkende ‚Kleintje Pils’.

Na een koude winter brak de lente aan. Aan de bomen op de Prinsengracht liet het nieuwe blad zich zien. Op het water dobberde de eenden met hun kroost. Onze vriend Kleintje Pils zat op het houten bankje voor zijn woning een Frans liedje te zingen. De jonge Piet stond er naar te luisteren. Er kwam een klein hondje aan. Het ging zitten en leek ook naar het liedje te luisteren. Toen de kleine man was uitgezongen vroeg Piet of hij ook Nederlandse liedjes kende.

“Allez, manneke Piet, zal ik ge ’t lied van Den Grijsaard bijbrengen. Gij zal dit plezant vinden.” De immer leergierige Piet ging direct op het aanbod in. De kleine man schraapte zijn keel en begon te zingen… 

Op een bankje zat een grijsaard, in een schaduwrijke laan.
Naast hem zat een kleine jongen, met een houten sabel aan.

Zeg eens vent wat wil je worden? sprak de oude grijze man. I Ik hoop maar ingenieur of dokter,  … zeg, waar houd je het meeste van?
Als ik groot ben, sprak het ventje, wel dan word ik een soldaat.  Die dan met een echte sabel, op de stoute vijand slaat.

En dan ga ik overwinnen, en dan rijd ik op een paard.
Dan ben ik de baas van alles, en dan heb ik ook zo’n baard.
Dat zijn hele grote plannen, sprak de grijsaard met een zucht.
Maar als jij dan hebt gewonnen dan moet jij ook op de vlucht.

Wees tevreden in je leven, werk maar liever voor je brood.
Want de meeste grote mensen, gaan vaak glad vergeten dood.
Maar meneer… zo sprak het ventje, maar meneer hoe weet u dat? 
Dat u dat zo kan vertellen, dat u dat zo zeggen kan.

Luister ventje, sprak de grijsaard en dan geef je me gelijk
Ik was eens die trotse keizer, van dat grote Duitse rijk!

Kleintje Pils en zijn vrouw Katrien hadden zes kinderen. Een jongetje die mijn vaders leeftijd had heette Louis. Dat was in die tijd een onbekende naam in de Jordaan, ze noemden hem dus maar Luis.

De meeste buren vonden Katrien een eigenaardige vrouw; ze leek een beetje mensenschuw. Maar oma zei, „Dat menssie heb met d’r kroost in het oorlogsgeweld gezeten. Nou, en blijf dan maar is normaal.”

Deel van de Prinsengracht waar de beter gesitueerde woonden

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s