Oma van Klaveren Staat Leentje bij

Typisch tafereel uit die tijd

Toen Piet een jaar of tien oud was, ging hij met z’n moeder op zaterdag naar de markt op de Anjelier gracht. Moeder had een beisie* op zak.
In de Tuinstraat kwamen ze Leentje tegen. 
Oma van Klaveren kende – net als ieder ander toen – iedereen uit de buurt.
De mensen hielpen elkaar als het nodig was over en weer. Zo kende oma ook Leentje, die een paar huizen verderop woonde.

Tranen

Leentje liep te huilen.
Om dat Oma van Klaveren een erg betrokken vrouw was vroeg ze, “Hé meid, wat is er met jou aan de hand?”
Leentje keek haar wezenloos aan en trok haar sjaal iets strakker. 
Na een kleine stilte zei ze: “Oh sorry, ben jij het Anne.” 
“Wat is er aan de hand meid?” herhaalde Oma.
”Ach Anne, het is weer zover, hij is weer is kachel,**en heeft alles opgezopen.
“Alles?” “Ja alles, ‘k ben platzak, ik heb geen stuiver meer om an me reet te krabben.
Ik weet niet wat ik moet beginnen, die arme schapen sterve van de honger.”

Oma van Klaveren kende de man van Leentje als een hopeloze zuiplap en zei,
“Leentje loop niet te janke, kom op, daar krijge je kindere geen volle maag van.”

Ze pakje het beisie uit haar taillezak van uienleer*** en zei,
“Hier meid, ’n beisie, ga gauw wat te kane voor je kroost hale.”

Leentje sputterde tegen maar oma zei, “Leen, klep houwe en an pakke dat beisie!” 

Leentje keek haar beduusd aan en zei, “O, Anne bedankt meid, ik ben zo blij dat die kotertjes van me nu wat te bikke krijge.”

Piet deponeert de probleemstelling

Piet wist dat het haar laatste beisie was en zei, ”Mam, wat motte wij nauw eten?
Jonge, dat komt helemaal goed, we late ons nie kiste, we gaan na de markt.”
Op de markt aangekomen ging ze naar Tante Alie die met tweedehands kleding stond.


“Alie meid, je mot me effe helpe.
Ik heb een paar uurtjes wat stukkies goed van je nodig, ik betaal ze je vanmiddag, da beloof ik.”

Alie kende oma goed en zei daarom, “Natuurluk meid, bij jouw zit dat toch altijd goed.” Oma zocht daarop drie boezeroens** uit. 

Oplappen

Thuis verstelde ze de boezeroens keurig. Daarna waste ze deze op het wasbord met zeep. Na het spoelen dompelde ze de kleding in een emmer met water met stijfsel.
Ze liet ze voor de potkachel drogen. Daarna streek ze de boezeroens zo netjes mogelijk.
Ze pakte ze netjes in en ging met Piet naar de lommerd.
Na enig getouwtrek over de prijs wist ze het pand met één heitje**** op zak te verlaten. Ze ging meteen naar Tante Alie om haar de 15 cent voor de boezeroens te geven.

Oliebollen en gerookte aal

Naast Tante Alie op de markt stond Vuissie de Palingboer.
Hij stond in de hele buurt bekend om zijn lekkere vette gerookte aal.
.s’ Winters hing er op de markt een zware oliebollen geur.
Deze werden door Vuissie en zijn vrouw gebakken.
Aan de omvang van zijn vrouw was te zien dat ‘matigheid’ bij de consumptie van haar eigen paling en oliebollen niet één van de deugden was waarvoor zij door haar medemensen werd geprezen. 

Gerookte paling heeft Piet als kind nooit gegeten, maar op deze zaterdag speelde er een draaiorgel en kreeg hij van zijn moeder een warme oliebol met poedersuiker. 

Telkens als Piet dit verhaal vertelde eindigde hij met de woorden,
“Goh, wat waren we arm, maar wat heb ik me toen rijk gevoeld met deze moeder.”

 

Van oudsher was de boezeroen (in het Frans “le bourgero”) eigenlijk een korte kiel met lange mouwen, meestal van blauw gestreept linnen of katoen. Hij werd voornamelijk als onderkleed gedragen door ambachtslieden, zeelieden en sjouwers. Dit kledingstuk had geen kraag. Omdat dus het “gewone volk” boezeroenen droeg, werden arbeiders wel “Jan Boezeroen” genoemd.

Een mager persoon werd wel aangeduid als “een boezeroen met botten.”

De Anjelier gracht is omstreeks 1861 gedempt en ging toen Westerstraat heten.

 Op de Westerstraat was toen de zaterdagmarkt die duurde tot laat in de avond, even als de Dwarsstratenmarkt die begon op de hoek van de Rozengracht en Tweede Rozendwarsstraat en zette zich voort via de Laurierdwarstraat en Laurierstraat en liep door de Hazenstraat tot aan de Eland gracht.

* De Anjelier gracht is omstreeks 1861 gedempt en ging toen Westerstraat heten. Op de Westerstraat was toen de zaterdagmarkt die duurde tot laat in de avond, even als de Dwarsstraten markt die begon op de hoek van de Rozengracht en tweede Rozendwarsstraat en zette zich voort via de Laurierdwarstraat en Laurierstraat en liep door de Hazenstraat tot aan de Eland gracht.

*** geld zakje van Uienleer – uitdrukking voor: als je erin kijkt springen de tranen in je ogen.

**** Van oudsher was de boezeroen (in het Frans “le bourgeron”) eigenlijk een korte kiel met lange mouwen, meestal van blauw gestreept linnen of katoen. Hij werd voornamelijk als onderkleed gedragen door ambachtslieden, zeelieden en sjouwers. Dit kledingstuk had geen kraag. Omdat dus het “gewone volk” boezeroenen droeg, werden arbeiders wel “Jan Boezeroen” genoemd. Een mager persoon werd wel aangeduid als “een boezeroen met botten.”

* 10 cent 

**  Dronken 

*** Uilen leer-uitdrukking voor: lege portemonnee als je er in kijkt springen de tranen in je  ogen. 

****25cent

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s