Winterkou ’42

De Noordoostenwind giert door de straten van Mokum. De meeste bomen in de stad zijn gekapt en niemand heeft nog brandstof.

Piet loopt samen met Tonie dik ingepakt over de Bilderdijkstraat. Piet draagt de kleine Toot, dicht tegen zich aangedrukt, zoveel mogelijk uit de wind. Ze zijn op weg naar Oma Beusekamp in de Kinkerstraat.

Zonder verdere noemenswaardige incidenten en luchtalarm, maar zo koud als een stuk schouderham uit de ijskast, arriveerde ze bij Tonie’s moeder.

„Oh god, oh god, oh god,” stamelde oma, „wat hebben jullie het koud, kom gauw binnen dan zal ik wat warme thee maken.”

Tonie en Piet zitten met rode konen aan de eettafel als de thee arriveert. Alhoewel het een slap bakkie is, voelt het toch lekker. 

Piet schept met z’n theelepel wat thee op en blaast er voorzichtig over. „Hier Tootje,” zegt hij. Met getuite lippen slurpt Tootje de thee op. Dit tafereeltje herhaalt zich viermaal. Piet zet Tootje op de grond, excuseerde zich en loopt naar het halletje om een sanitaire stop te maken.

Terug in de huiskamer probeert hij z’n theelepeltje op de rand van zijn theekopje te balanceren. Op het moment dat het lukt houd hij z’n handen er bezwerend boven. 

„Die vuile klere moffen,” zegt Betsy, „we hebben niks meer te stoken”. 

Piet zwijgt en kijkt naar het lepeltje dat in perfecte balans op de rand van het theekopje rust. Op de achtergrond tikt de klok. In de hoek van zijn blikveld ziet Piet Oma Beusekamp zitten, ze houdt zich flink maar onder de fiere blik ziet hij de diepe wanhoop die zich van haar meester heeft gemaakt.

„Weet je wat ik straks is ga doen?” zegt Piet, „Tonie, jij blijft vanmiddag met de kleine bij Moeder en ik fiets naar de Oosterdokskade. Daar komen de kolentreinen aan. Ik heb van Wim gehoord dat ze die kolen vanuit de trein met kruiwagens naar de voorraadschuren rijden. Wim zegt dat er daar soms wat kooltjes op de grond te vinden zijn.”

Tonie wil iets zeggen, maar voor het eerste woord haar mond heeft verlaten zegt Piet, „Want om nu binnen te gaan zitten wachten tot we allemaal bevroren zijn lijkt me helemaal niets.”  

„Ik ga met je mee,” zegt Betsy en loopt naar de voordeur. 

„En waar denkt deze jongedame heen te gaan,” vraagt Oma gepasseerd. 

„Naar zolder om een gonjezak te pakken.”

„Een gonjezak?”

„Ja”.

„Ach kind, Jo en Wim zijn laatst ook die kant op geweest en kwamen terug met een halve sok kolen.”

Oma staat op en loopt het keukentje in. Ze staart met een traan in haar ogen in de lege aardappelbak. Ze heeft gemengde gevoelens, aan de ene kant heeft ze bewondering voor de daadkracht en het gebrek aan angst van haar dochter, aan de andere kant is ze bang, je hoort immers allerlei verhalen.

Oma staat bovenaan de trap als Piet en Betsy vertrekken. Ze wil nog zeggen, „kijken jullie in godsnaam uit.” Maar de woorden blijven in haar keel hangen, ze verzucht, „Laat me in gods naam ” mijn dochter nog terug zien.

Piet en Betsy fietsen over de Nieuwezijds Voorburgwal als het begint te hagelen, snel gaan ze schuilen in een portiek. Ze zitten naast elkaar op de trap te kijken hoe de hagel op straat slaat.

Bets in haar jonge jaren

Piet rolt een shaggie.

„Wat een klote weer,” zegt Bets.

„Nou nou, wat een taalgebruik,’ zegt Piet.

„Dat zal mij an me reet roesten,” zegt Bets.

Bets taalgebruik bracht ongewild de volksverheffer in Piet naar boven.

„Met dit soort taalgebruik haal je jezelf naar beneden, net taalgebruik kost niets meer maar brengt je een stuk verder” zei Piet onderwijzend.

– „Ja hoor pastoor, ik zal voortaan zeggen, het zal me aan mijn bips oxideren!”

– „Phhuu, wat ben je ook een recalcitrante puber.”

– „Hé hallo, ik ben bijna negentien hoor!”

– „ Goh, dat wil wat zeggen, zes jaar geleden was je nog twaalf.”

– „Wat een gelul!”

Piet gunde Bets het laatste woord, wetende dat er anders nooit een einde aan de discussie zou komen. 

Hij zei met een neutraal stemgeluid, „het is trouwens droog, laten we maar verder fietsen, anders komen we er nooit.”

Bets, die minder makkelijk los liet, zei toch nog even fijntjes: „Ja, laten we opsodemieteren, want we zitten hier toch een beetje voor de kat z’n kut op die kouwe klote trap, en ik heb ondertussen ook nog, door al dat gelul van jou, een blikke reet gekregen.”

Piet stond zuchtend op.

Het was inmiddels schemerig geworden toen ze op het rangeerterrein in Oost aankwamen. Piet fluisterde, „Bets, we moeten heel voorzichtig zijn, die Duitsers beschouwen het meenemen van gevallen kolen als diefstal. En als je door die gasten gepakt wordt ben je het haasje.”

Bets die over het algemeen heel realistisch was ten aanzien van alle dingen die fout kunnen gaan begreep Piet volkomen. En zoals alleen Bets dat kan complementeerde én beledigde ze hem tegelijk door terug te fluisterde, „Piet, ik ben blij dat je eindelijk eens iets zinnigs zegt.”

Piet: „Ja, het is goed met je”

Vanuit een kraan van geklonken metaalbalken kijkt er een Duitse soldaat  door een verrekijker naar de twee die het verboden terrein betreden.

Piet zocht aan de ene kant van de rails en Bets aan de andere. Bets had ondertussen al drie kooltjes tussen de bielsen gevonden en Piet nul. 

„Wanneer hebben jullie voor het laatst worteltjes gegeten,” vraagt Bets aan  Piet. Piet sluit z’n ogen, zucht zacht en zegt niets. Als hij z’n ogen weer open doet schrikt hij van een grote bruine rat die wegrent en in een bouwvallige schuur verdwijnt.

„Zoek je nog een leuk huisdier Piet,” zegt Bets.

„Stil Bets,” sist Piet, „kijk daar…”

Piet wees naar een plek waar wat kolen tussen de bielsen lagen.

Snel lopen ze naar de plek. Bets houd de gonje zak open en Piet raapt de kolen. 

„Veel hè,” zegt Bets.”

„Hmm, hmm,” antwoord Piet.

„Was machen sie hier?”

Piet draait zich om in de richting van het stemgeluid.

Hij ziet een soldaat in een lange grijze jas die een geweer met een korte bajonet schuin voor zich vasthoud. Z’n ogen gloeien als kolen onder de rand van z’n helm.

„Was machen sie hier?” herhaalt de soldaat.

Als Piet opstaat richt de soldaat z’n geweer op Piet.

Piet toont snel z’n open handen om te laten zien dat hij ongewapend is.

Bets laat de zak vallen en doet hetzelfde.

De soldaat doet terwijl hij z’n geweer op Piet gericht houd een stap naar achter. Hij houd z’n hoofd schuin en neemt Piet aandachtig op. 

„Piet staart in de loop van het geweer en denkt, ”oh god, daar gaan we.”

De diepliggende ogen van de soldaat draaien zich langzaam naar Bets. 

Bets voelt de koude buitenlucht langzaam haar longen binnenkomen.

„Was machen sie hier?” herhaalt de soldaat.

Piet houd zijn handen naast z’n schouders en wijst met z’n neus naar het restje kolen wat nog  tussen de rails ligt en zegt, „Brrr… kalt..”

De soldaat kijkt naar Bets en knikt naar de gonjezak en zegt, ”öffnen!”

Bets pak de zak en houd hem open. 

„Umdrehen, schnell” beveelt de soldaat.

Bets draait de zak om en er vallen een paar handjes kolen in de modder.

De soldaat kijkt eerst naar Piet en dan naar Bets en er verschijnt een dunne glimlach op z’n gezicht. Piet denkt dat de mans gezicht in medeleven ontdooit. Bets denkt dat ze een sadistisch glimlachje waarneemt. 

De Duitser knikt in de richting van het oude schuurtje en blaft, “Kommen sie mit”. Piet en Bets weten niet wat te doen. De Duitser pakt Bets bij haar arm en herhaald „mit kommen!”

Bets schreeuwt „houd je poten thuis!”, en probeert zich los te trekken maar de mof heeft haar met een ijzeren greep vast. Piet die vermoede dat de Duitser niets kwaads in de zin had, zei, „Bets loop maar mee, ik blijf bij je, over m’n lijk dat ie je wat flikt?” 

De Duitser blijft op z’n hoedde en drijft Piet en Bets voor zich uit het schuurtje binnen. Binnen wijst de Duitser met zijn bajonet op een baal kolen en zegt, „schnell”.

Bets houd de gonjezak open en Piet schept er snel met zijn handen de kolen in. Toen de zak vol was bedankte Piet de Duitser. Bets glimlachte naar hem, waarop de Germaan begon te blozen. Ineens zag Piet dat de Duitser eigenlijk nog maar een jochie van tegen de twintig was. 

Jaren later vertelde Piet vaak hoe veel verschrikkingen de Duitsers hadden aan gericht, maar hij zei er ook altijd bij, „als er geen goeie Duitsers waren geweest had ik misschien ook niet meer geleefd.”

Amsterdams archief
27 januari 1942 was in Nederland de koudste dag ooit gemeten, het kwik in Winterswijk gaf -27,4 graden aan. Op een paar korte onderbrekingen na vriest het twee en een halve maand aan één stuk. Veel mensen kruipen met hun jas aan in bed. Er is niet meer tegen de kou op te stoken, er is een groot gebrek aan brandstof . Pasgeboren baby’s komen vaak in een bevroren bedje terecht en lopen meer dan eens een longontsteking op met de dood tot gevolg. Mensen doen alles om hun kachels aan het branden te houden. Vaak staan de huizen vol met rook. Het is liever de ramen dicht en het beetje warmte dat er is binnenhouden, dan frisse maar koude lucht.

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

2 gedachten over “Winterkou ’42

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s