1892 – Opa en Oma Ontmoeten Elkaar

Vleeshouwerij

Mijn oma Anne is zestien jaar.


– „Anne, als jij de vloer nou eerst even dweilt voor we open gaan dan droogt het nog voor de eerste klanten komen”, roept haar bazin van uit de achterwoning.
– „Ja, zal ik dan het buitenraam ook meteen lappen?”
– „Nee, doe dat morgen maar. Je moet zo even bij Smit op de Westerstraat een half pond koffie bezorgen.”  
– Koffie is één van de artikelen die in het kleine winkeltje met grutterswaren verkocht wordt.
– Al zingend dweilt Anne de vloer, schrobt de drempel van de voordeur en gooit de emmer water leeg over de straat. Piet rijdt op dat moment op zijn slagersfiets voorbij en roept lachend: „Hé kijk je uit!”
Waarop Anne roept: „Daar kan je niet in verdrinken hoor, daar krijg je hoogstens schone voeten van!”
Enige dagen later fietst hij weer langs het winkeltje, als Anne net naar buiten komt.
„Ik trok mijn pijpen al omhoog”, grapt Piet, „Ik dacht daar heb je die meid met die emmer water weer.”
„Heb jij watervrees?”, vraagt Anne lachend.
„Ben je al klaar?” vraagt Piet.
„’s Morgens om elf uur? Dat zou een mooie boel zijn.”
„Waar ga je nou dan naartoe?” 
„Ik moet altijd op maandag en donderdag koffie brengen naar de pettenwinkel op de Westerstraat.”
„Hoe heet je eigenlijk”, vraagt Piet?
„Anne … maar dan wil ik ook weten hoe jij heet.”
„Ik heet Piet.”  
„Originele naam”, gniffelt Anne.
„Zal ik je effe brengen Anne … spring achterop, dan ben je er snel.”   
„O, leuk, moet jij dan ook die kant op?”
„Ja anders zou het moeilijk worden.”
„Hou je goed vast hoor!” waarschuwt Piet. 
„Ja, dat probeer ik, maar je schommelt zo.”

Piet fietst met Anne achterop over de Amsterdamse grachten.
„Zo Anne, we zijn er al bijna …”
„Waar moet jij heen?” vraagt Anne.
„Ik moet eerst naar de Constantijn Huygensstraat dan naar de Helmersstraat en als laatste voor de ochtend de Sarphatiestraat en vanmiddag krijg ik weer mijn nieuwe lijst.”
„Goed madam, we zijn er!”, zegt Piet, terwijl hij met zijn arm een zwierende beweging maakt.
„Dank je wel, dat ging snel, ik moet ook maar een fiets aan mijn baas vragen.”
„Dan ga ik het je leren.”
„Ach joh, dat ken ik zo.”
„Dat hoop je.”
„Heb je zin om zondagochtend een wandeling met me te maken?”
„Nee Piet, je heb me beloofd me te leren fietsen.”
„Ja, maar deze fiets is van mijn baas, die staat op zondag op de zaak, dan kan ik jou daar geen les op geven.”
„Nou joh, dan gaan we toch gezellig wandelen”, antwoord Anne vrolijk.
„Waar zie ik je zondag, om twaalf uur hier op de hoek?” vroeg Piet.
„Oké, maar ik moet nu snel naar binnen, anders ben ik te lang weg.”
„Ja, je hebt gelijk, tot zondag dan!”

Oma, verliefd omdat hij zo’n aardige, nette jongen was.
Opa, verliefd omdat zij zo’n vrolijke, gezellige meid was.

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s