Drie Snoekbaarzen

Februari 1942, de ijzige koude houd maar aan. Tot een maand terug ging Piet op een oude fiets met houten banden de polder in. Daar ging hij bij de boeren langs. Hij ruilde dan huisraad voor voedsel. De wisselkoers was meestal slecht; een set prachtig beddengoed voor 15 aardappelen, 3 winterwortels en 4 uien. 

Sinds korte tijd kwamen er zoveel stedelingen op de boeren af dat deze bijna nooit meer de deur open deden.  Als er al open gedaan werd, dan was het een kiertje van een paar centimeter, waarna de deur weer langzaam dicht ging. 

Zondagochtend, 10.00 uur. 

Piet is op weg naar zijn moeder. 

Hij hoort, „Hé mensen, daar hebben we Piet!”

Piet kijkt om en ziet een zwerver staan.

„Hé, ouwe rukker,” schreeuwt de zwerver, ”doe nou niet of je me niet ken!”

Piet kijkt in een groezelig gezicht dat naar hem lacht met een mond waarin nog maar een paar rotte tanden zitten.

„Hé, Joop hoe is het met jou.” zegt Piet terwijl hij onwillekeurig een stap naar achteren doet.

Piet kijkt naar zijn oude vriend Jopie.  Hij ziet een luizig verward kapsel met bemoste plekken. Lodderige ogen met erwtensoep in de hoeken. Een snottebel en een verwilderde bevroren baard. Jopie staat voor hem als een soort verlopen Socrates, gewikkeld in een vette versleten grauwe deken. Piet kijkt naar Jopie’s voeten en denkt vol mededogen, „hij heeft in ieder geval één droge voet.” Aan z’n linkervoet heeft Jopie een afgetrapte bruine schoen – waarvan de neus als de bek van een krokodil openstaat – maar aan z’n andere voet draagt hij een vrij nieuwe zwarte laars.

„Met mij is alles prima”, zegt Jopie, „moet je kijken wat ik net gevangen heb!”

Jopie haalt een slijmerige vis onder z’n ‚toga’ vandaar.

„Waar heb je die gevangen?”, vraagt Piet verbaast.

„In ‚t Noordzeekanaal,” antwoord Jopie, „maar mondje dicht hé.”

„Uiteraard,” zegt Piet, „maar is dat kanaal dan ook niet gewoon dichtgevroren?”

„Nee, om de verdommenis niet,” antwoord Jopie, „die zeeboten moeten er toch doorheen.”

„Oh, dat is interessant zegt Piet.” 

De volgende ochtend zit Piet al vroeg op de fiets. De vale zon hangt nog laag aan de horizon. Het is koud en het waait. Piet heeft z’n handen in een paar geitenwollen sokken gestoken. Hij staat in de pendalen en blaast tijdens het fietsen wolken waterdamp voor zich uit. 

In de verte klinkt het zware lome geluid van een scheepshoorn. Piet ziet het opgekruide ijs langs het kanaal. In een smalle vaarstrook in het midden van het kanaal drijven ijsschotsen. Op het ijs langs de rand van de vaarstrook stonden op behoorlijke afstand van elkaar kleine groepjes mensen te vissen. 

Piets zet z’n fiets tegen een boom en gaat voorzichtig het ijs op. Als hij langzaam in de richting van de vaarstook schuift ziet hij ineens op het ijs een snoekbaars liggen. Piet pakt de levenloze vis op en klapt een kieuw open. Het weefsel is nog helder rood. „Die vis is zo vers als het maar kan,” denkt Piet. Snel doet Piet de snoekbaars in z’n schoudertas. 

Piet denkt, „dat is mooi meegenomen, hebben we er in ieder geval al één.” Hij loopt verder over het krakende ijs in de richting van de vaargeul. Plots ziet hij op het ijs nog een snoekbaars liggen, „krijg nou wat,” denkt hij, „heb die ouwe Piet ook eens mazzel.” Hij pakt de vis op en inspecteert goedkeurend de kieuwen. Hij kijkt op en ziet een paar meter verder weer een flinke snoekbaars liggen. „Nou, nou, het kan niet op,’ denkt Piet en pakt de derde vis op.  Even verderop bij de vaargeul klinkt rumoer, „De vissers schreeuwen elkaar toe, „Moet je die idioot nauw zien, die raapt dooie vis!” En tegen Piet, „ Hé jij daar, voel je je wel helemaal lekker, van dooie vis kan je strontziek worden!” Piet denkt aan z’n hongerige vrouw en kind en weet de volksverheffer in zichzelf te beheersen. Hij zegt niets, hij weet immers dat de vis prima is en beheerst de opwellende behoefte om het schreeuwende volk wijzer te maken want misschien legt er nog wel een vis. Het schreeuwen gaat ondertussen gewoon door, „Hé kale – morgen heb je de slingerschijt en zit je de hele dag op de pot.” Er klink log gelach. Piet denkt, ”ze kunnen me me zak opblazen met hun stomme gelach. Wie het laatst lacht, lacht het best.”

Even later staat Piet te vissen. In zijn hand zijn vaste hengeltje met aan het snoer een rijtje rood-witte dobbertjes. Schuin over Piets rug hangt de schoudertas met de drie snoekbaarzen. Ineens voelt hij dat de vis in de schoudertas begint te bewegen. Hij denkt, „ze leven nog, ik kan er maar beter van doorgaan. Dan rij ik eerst nog even de Egelantierstraat in, en geef mijn vader en moeder ook een lekker vissie..

Net als hij langs de vissers gaat en tegen hen zegt, „Heren, een prettige voortzetting nog,” beginnen de vissen in de tas heftig te bewegen. De vissers zien dit en beginnen te schreeuwen, „hé kijk, die kale heb een hele tas met vis,”, „Hé vriend, zou je niet eens eerlijk delen, solidariteit, wij hebben ook honger en monden te voeden!”

„Het is goed met jullie, heren,” zegt Piet trots, „laat dit een wijze les voor jullie zijn. Je medemens eerst voor idioot uitmaken, en dan, als het geluk hem toelacht en hij in het bezit is gekomen van een smakelijke portie vis. Hem dan ineens als beste vriend willen zien. Nee heren, die vlieger gaat niet op. Zo werkt het niet. Vandaag vist u achter het net … helaas. Een goede dag nog verder.” (1)

(1) *Dit verhaal komt van Peter van Klaveren (1945 – 2018)

Copyright Ⓒ 2016 – 2019 P. Schwank

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s